Champcella 2013 : Transpiemont

 

Voor het zesde jaar op rij staat in september mijn neus richting Briançon, en dan liefst nog 20 km verder : Champcella, voor weer eens een buitengewone mtb-trektocht.

 

Dag 1: Ville-Vieille – Saint-Véran (34 km – 1850 hms)

Zaterdag in de late namiddag kwamen we aan in Champcella aan gîte “La Bergerie”, en dat voelde na 6 jaar aan als een thuiskomst bij Karin en Jos.

Nog op tijd om ons te installeren in de kamer en een aperitief vóór het avondmaal te nuttigen.

Het werd een weerzien met voor mij allemaal bekenden die ik op één of andere trektocht al als reisgezel had gehad, op één van de Lucs na dan toch.

Voor mij was het ook al de vierde tocht die ik als “proefkonijn” voor een nieuwe tocht had meegefietst. Dit jaar de nieuwe “Transpiemont” dus, een vlag die de lading niet helemaal dekt, maar dat maakte de schoonheid er niet minder om. Door de lange winter (sneeuw boven 2500 m tot in juli !) had Jos onvoldoende tijd gevonden om nieuwe Italiaanse paden te verkennen. Vandaar slechts 2 dagen in Italië, maar wat zou hij ons weer mooie trajecten voorschotelen in de grensstreek tussen Queyras, Piemont en Ubaye!

Maar nu dag 1:

De hele nacht en morgen had het geregend, en daardoor werd het vertrek uitgesteld omdat de verbetering eraan kwam. Alles in 3 auto’s ingeladen en dan 35 km verder naar Ville-Vieille, midden in de Queyras. En zo was het even na 11 eer we op de fiets zaten. Een lichte afdaling door de vallei van Guil bracht ons naar Château-Queyras waar we de 900 m klim naar de Sommet Bucher aanvatten. Een zachte opener, eerst via asfalt, later over een brede gravelweg, met nog een kort steil knikje naar de top op 2254 m.

Via de Col des Prés de Fromage fietsten we via een alternatief pad en niet via de GR5 naar de Col Fromage. Dat laatste pad kende ik (o.a. van de eerste dag met Luc), maar dit pad was zo mogelijk nóg mooier.

Op de Col Fromage had Jos nog een optie-lus via de Crêtes des Chambrettes voorzien, maar door het late uur ging dat niet door. Voor Luc en mij niet gelaten, want dat deden we 2 dagen vroeger al ! Naar de Col des Estronques volgde Jos weer niet het geijkte pad, maar met een deel van de groep deden we een lager flankpad om dan aan de zware klim naar de col te beginnen.

Vanaf de Col des Estronques (2651 m) begonnen we aan een helse afdaling van 800 meter, man man, dat was genieten, en zo goed als volledig op de fiets

Nog 200 meter rustig klimmen naar Saint-Véran op 2050 m, hoogstgelegen permanent bewoond dorp van Europa.

 

Dag 2 : Saint-Véran – Maljasset (31 km – 1370 hms)

Kilometers en hoogtemeters zeggen niet veel, maar wat een tocht !

Na nog wat gedruppel ’s nachts stonden we ’s morgens op met een staalblauwe hemel, maar wel koud. De helderheid was beloftevol voor het traject dat op de planning stond.

Na even zeer stevig klimmen uit Saint-Véran volgden we 4-5 km een pad op 2350 m hoogte langs het “Grand Canal”, een oud kanaaltje dat het water uit de bergen aanvoerde, 10 keer mooier dan de normale route door de vallei. Dat is nu waarom we met een gids gaan : alleen locals als Jos weten zulke pareltjes liggen.

Vanaf dit pad zien we lange tijd één van onze hoofddoelen liggen : de (besneeuwde) top van de Pic de Caramantran. Maar eerst nog de klim naar de Col de Chamoussière op 2884 m.

Lunch in een bijzonder berglandschap : niet op zijn Oostenrijks gekunsteld maar een ruwe bolster.

Omdat er nog een stevig traject volgde verkoos een deel om de Pic onderlangs te passeren.

Met het andere deel dan maar verder omhoog naar de Pic de Caramantran (3025 m). De wereld aan onze voeten, met zichten tot (150 km verder) de Mont Blanc en Monte Rosa.

Steil naar beneden naar de Col de St-Véran. Veel ploeterwerk verder naar de Col Blanchet, waarna we even door Italië afdaalden om dan de laatste col te bedwingen, Col de Longet (2650 m). Hier ontspringt de Ubaye, en die volgen we 12 km lang door één van de meest afgelegen valleien van Frankrijk tot in Maljasset op 1900 m.

Moet ik het nog zeggen : deze dag was één langgerekte singletrack van begin tot einde.

Maar deze dag blijft ook hangen door een klein foutje dat voor Luc bijzonder onaangename gevolgen had. Op een kleine 5 km vóór het einde verloor hij een tijdje het bewustzijn. Toch nog vóór donker de gîte kunnen bereiken. ’s Anderendaags naar de dokter en verder naar de kliniek in Gap voor enkele dagen onderzoek, waarna repatriëring naar België. De reden werd achterhaald en met Luc is alles als vanouds, en dat wil zeggen : veel te snel voor mij !

 

Dag 3 : Maljasset – Preit (43 km – 1750 hms)

Na een goede ontvangst in de gîte in Maljasset zetten we onze weg verder richting Italië.

Voor mij betekende dat echter een dagje met Luc en Karin in de jeep. Eerst Luc op weg gezet naar de kliniek, en dan verder met Karin naar de volgende halte : Preit, gehuchtje in de gemeente Canosio, ergens hoog gelegen in een zijvallei van de Valle Maira.

Nog maar eens ondervonden wat voor een afgelegen streek dit is. Zeker 3 uur gereden rond de bergen om uiteindelijk in vogelvlucht luttele kilometers verder dan Maljasset te belanden.

Over deze dag dus geen verhaaltje, maar de foto’s die anderen namen zeggen dat dit weer een traject was om duimen en vingers van af te likken

Ook om duimen en vingers af te likken : de schitterende gîte “Lou Lindal” in Preit, een adresje om bij de top 10 te noteren.

 

Dag 4 : Preit – Larche (38 km – 2180 hms)

Dit zou op de kaarten te zien (iets wat we elke morgen met Jos uitgebreid doen vlak voor het vertrek) een bijzonder zware rit zijn …. en dat werd het ook. 9 cols liggen op het traject. Dat betekent niet dat dat telkens diep naar beneden en weer naar boven is, maar dat zegt al wel iets over hoe de regio eruit ziet : zeer ruw dus.

Eerst weer rustig (nou ja, rond de 10-12%) via het asfalt naar de Col de Preit, en vanaf daar verder omhoog via één van de Strada dei Cannoni (zo noemen ze de oude militaire wegen die hier hoog door de bergen lopen) naar de Rifugio Gardetta.

We zitten nu in een zeer bijzonder landschap : de Gardetta-hoogvlakte, geologisch erfgoed.

Waar we andere jaren regelmatig in een dorpje een koffie-stop houden, zat dat bij deze tocht er niet in – komt ervan als je wel echt geen beschaving tegenkomt. Maar vandaag dus wel : door de koude, 7-8°C, gaat ipv de koffie een soep en/of een pasta in de berghut er lekker in.

Verder, en nog altijd op de fiets, naar de Passo della Gardetta. De zichten vanaf hier zijn indrukwekkend. En weer verder omhoog naar de Passo di Rocca Brancia (2640 m), erg ruw pad bezaaid met rotsblokken. Als enige slaag ik erin om dit volledig fietsend te doen, en al laat ik dat niet zien : daar genoot ik van ! (toegegeven : er zat een 10 meter lange onmogelijke trap in door een puininstorting).

Ook richting Colle Oserot zat er al naargelang de skills nog heel wat fietsbaars in, maar daar hield het dan op. Vanaf de col werden de kaarten bovengehaald om te kijken hoe we nu best naar de Passo Peroni zouden …. euh …. lopen. OK, een traject gekozen, en, ja ik zat daar voor iets tussen, dat bleek niet de beste keuze te zijn. Maar : het pad dat we best hadden genomen staat zelfs niet op de meest recente en bijzonder goede kaarten die ik gisteren (14 november) in de bus kreeg.

Op weg dus voor de Colle Vittorio, waar we ,eindelijk in het zonnetje, een lunchpauze hielden omgeven door een imposante bergwereld. Snel mijn bokes op, en omdat ik het vervolg niet echt goed zag toch maar zonder fiets op pad terwijl de rest van de siesta genoot.

Een 70-tal meters hoger begonnen de kettingen, en het traject werd steiler en steiler. 2 opties : óf een ander traject zoeken, maar dat werd gokken, óf erop en erover, maar dat zou enkel lukken door een mensenketting langs de stalen ketting te vormen. De kortste pijn dus, met dank aan iedereen voor de teamspirit en doorzetting !

Zo belandden we op de Passo la Croce (2645 m), en vandaar eindelijk weer fietsen naar de Passo Peroni. Een domme stuurfout tegen een rots aan de rechterkant nam me even mee links de dieperik in. Gelukkig met mijn handen (en gelukkig met handschoenen met lange vingers) kunnen afremmen tussen het gruis en de keien. Mijn fiets even lager bijeen geraapt en zonder te twijfelen onmiddellijk weer de fiets op. Ik vermoed dat het hart van Hans die achter me kwam sneller bonkte dan het mijne. Allemaal weinig last aan overgehouden, tot nu (2 maanden later) blijkt dat er toch een meniscus-operatie aan te pas zal komen.

Vanaf de Passo Peroni zien we ruwweg het verdere verloop van de tocht langs de 3 Roburent-meren en de gelijknamige col daarachter.

Vanaf de Colle di Roburent duiken we Frankrijk binnen. Voor iedereen, behalve Jos en mezelf, werd dat een duik tot aan de gîte. Jos neemt me mee op sleeptouw voor wat ik op kaart dacht nog een kleine 200 extra hoogtemeters te zijn op een lus richting Larche. Goed gas gegeven om niet te ver achter electro-Jos te belanden gezien het gevorderde uur.

En passant nog een verdwaald lammetje naar de kudde gebracht, en toen had Jos nog het lumineuze idee om nog eens een kleine 300 meter extra te klimmen – ah ja, want dan kwam er een schitterende haarspeld-afdaling naar Larche … en een telefoontje van Karin hoe het met onze timing zat, want iedereen al gewassen en geschoren met zijn benen onder tafel voor het avondmaal. Nog een dik half uur Karin, en dan recht van de fiets naar de tafel.

Thanks guys and kitchen !

What a day. Die zit in mijn geheugen gebeiteld, en dat is nochtans een zeef.

Een copieuze maaltijd, artisanale biertjes, lekkere wijn en straffe huisgestookte génépi besluiten deze dag van 9 en een half uur en op, naast en onder de fiets.

 

Dag 5 : Larche – St.Paul-sur-Ubaye (54 km – 2280 hms)

De rechterknie, die plots laat in de nacht begon pijn te doen, en ervoor zorgde dat ik amper de trap afkwam, doet het op de fiets wonderwel zonder problemen. En vermits deze dag door Jos als fietsdag werd voorgesteld ga ik het erop wagen.

Weer een korte aanloop over asfalt, die een gravelweg wordt, die een singletrack wordt en weer zal blijven tot het einde (behalve even nabij de Barakken van Viraysse). He begin van de tocht is niet al te bruut, en daar geeft niemand om na de helse tocht van de dag tevoren.

Toch heb ik een serieuze dip in de aanhef naar de Col de Mallemort. Het steile stuk van 1900 m naar 2250 m gaat me moeizaam af. De lunchpauze doet wonderen en het vervolg tot aan de barakken wordt “piece of cake”. In de barakken geeft Jos de optie om naar de col en het fort verder te fietsen (kleine 300 hms extra). Met in het achterhoofd het vervolg van de tocht (al dan niet de 400 draagmeters naar de Pas de la Couletta) is er slechts een klein groepje dat naar de Tête de Viraysse (2772 m) wilt, en die groep ben ik. Een 10-tal jaren geleden was ik al eens met een zware trekking-rugzak en met een génépi-kater tot aan de barakken geraakt, en nu móest ik dus naar de top ! Met foto-momenten en toppauze had ik op 1 uur achterstand geschat, bleken het 65 minuten te zijn vóór ik weer aan de barakken was.

Verder naar de Col du Vallonnet (2524 m) via de moeilijke flanken van een puinhelling. Vanaf de col nog 200 meter afdalen, en dan moest ik een moeilijke beslissing nemen.

Achteraf bleek dat op dit punt (2340 m) de rest van de groep ook al gesplitst was. Een deel verder downdown naar het eindpunt. De rest naar de Pas de Couletta, en dat betekende meer dan 400 hoogtemeters duwen, trekken, sleuren, dragen tot 2752 meter.

Het was al voorbij 16 uur, én alleen, én geen terreinkennis. Ik had wel al de afdaling die me vanaf daarboven zou wachten op Youtube gezien. En nu ik hier toch was ….

Het werden zware 400 meters. In de klim kwam ik afdalende wandelaars tegen, en aan de hand van hun beschrijving wist ik dat de groep gesplitst was en ik al redelijk wat had inge”lopen”.

Vanaf de Couletta weer grandioze panorama’s op de Aiguile de Chambeyron. Jammer dat de Tête de la Fréma (3151 m) er niet meer inzit, maar dan had ik de Viraysse maar moeten overslaan … te laat. Nog een moeilijk traject naar het Lac Long (2783 m) en dan één van de mooiste afdalingen via de Refuge du Chambeyron en Fouillouse naar Saint Paul (1350 m) die ik ooit heb gemaakt. Aan de Refuge had ik mijn makkers te pakken >> ha ja, de obligatoire koffie hé !

Samen naar beneden via supersnelle singles met altijd grandioze vergezichten. Na Fouillouse doken we een afdaling door de bossen in met rotsen, wortels, .. kortom Ardennen-parcours maar wel 450 daalmeters. Verstand op nul en toch supergeconcentreerd alle spieren opgespannen … geen foto’s dus !

Saint-Paul-sur-Ubaye is een vredig dorpje aan het einde van een 25 km diepe Ubaye-vallei.

Bedankt Jos om me mijn zin te laten doen, maar toch kan ik de groep niet missen, zeker niet voor de al traditie geworden génépi- of grappa-afsluiter.

 

Dag 6 : St.Paul-sur-Ubaye – Champcella (61 km – 2020 hms)

Weer een rustige start over brede paden richting Col de Vars. Helemaal in het begin kies ik met 2 compagnons voor de korte pijn : een singletrack die constant met de 20% flirt, gelukkig “slechts” 200 hoogtemeters. Even verder op het brede pad hadden we dan ook uitgebreid de tijd om in de morgenzon te genieten van het uitzicht op de Ubaye-vallei vóór de groep eraan kwam.

Een goede 2 kilometers vóór de top kreeg ik het “oud zot” en begon serieus door te sleuren, alsmaar harder. Zonder om te kijken voelde ik een voorwiel tegen me plakken. Even vóór de top kwamen we op de weg naar de col, en de eindsprint moest ik uiteraard aan Wim laten.

In het restaurantje op de Col de Vars (2108 m) gaan de pannenkoeken er vlot in. Meest in trek was de banaan-chocolade variant – probleem : te weinig bananen – maar geen nood : de lunchpakket-bananen verdwenen richting keuken en het probleem was opgelost !

Wat doet een racefietser op een col ? naar beneden uiteraard, en wat doet een mountainbiker ? verder naar de top, en dat betekende nog een kleine 400 meter extra.

Door en boven de skigebieden van Vars en Risoul bleven we zeer lang rond de 2300 meter fietsen, soms via mooie singletracks, soms door iets minder fraaie ski-toestanden, maar door de grote hoogte maakten de overweldigende uitzichten alles goed.

Hét hoogtepunt waar we naar uitkeken was echter de Crête de Martinat, zeer bekend bij de locals als afdaling. Vanaf het Belvédère de l’Homme de Pierre (2374 m) daalt deze scherpe kam snel af naar de vallei van de Durance (900 m). Bijna 1500 daalmeters dus ! en wat voor een traject. Nu en dan stoppen we om te genieten van de uitzichten : in de verte het meer van Serre-Ponçon, recht voor ons de Ecrins en een groot deel van de Queyras, en 1000 duizelingwekkende meters onder ons de Durance-vallei. Door mijn hoogtevrees durfde ik niet naar beneden te kijken, fietsen was geen probleem !

Voor de afdaling door het bos moesten de remmen soms geblokkeerd worden, en dan nog kreeg men vaart. Nu en dan een valpartij, zonder erg, was niet te vermijden. De laatste 200 meters gingen over gravel en asfalt en daar zag ik iedereen met een smile tot achter zijn oren !

Maar toen beseften we ook dat dit het einde was. Zo kwam de laatste splitsing eraan : de groep nog een kleine 10 km naar Champcella. Met zijn vieren (3 chauffeurs + Jos) moesten we nog 25 km naar Ville Vieille om de auto’s op te halen. Maar voor ons kon een “geheim” terrasje op het dorpspleintje in Guillestre er nog best af.

Karin en Jos zorgden nog voor een overheerlijk avondmaal, terwijl naar goede gewoonte de verhalen van de voorbije dagen werden uitgewisseld.

 

Deze 6-daagse trektocht zal in mijn geheugen gebrand blijven.

Dit was al het strafste wat ik in mijn late “carrière” onder de wielen geschoven kregen.

Pure waanzin soms, maar dan waanzinnig mooi.

Merci Karin en Jos voor het gidsen en de omkadering. Hier kom je gewoon terug. Voor hen en voor de regio die onuitputtelijk is voor het echte mountainbiken.

Voor volgend jaar ben ik al ingeschreven voor de Transpiemont 2014, een volledig andere tocht en helemaal in Italië. Hij zou minder loopwerk bevatten … we zullen zien.

 

 

Homewebdesign 2014