La petite Traversee des Ecrins

Op Sneeuwschoenen in het Parc des Ecrins

 

Door Kees Lucassen.

Uit; Op Pad nummer 9 december 1998

Vierdaagse tocht in het Parc des Ecrins onder leiding van een berggids.
Overnachten: gite d’étape en cabanes.Ervaring met sneeuwschoenen is niet nodig, een goede conditie wel. En: doe dit niet zonder gids !.

Wat vooraf ging:
Op Pad wilde sneeuwschoenen testen, in afwisselend terrein.
We stelden een team samen. Acht vrienden, met en zonder ervaring. En aan Karel Mul, een doorgewinterde reisleider, vroegen we: ‘Waar moeten we heen voor een mooie tocht?’ Karel: ‘Naar La Bergerie, de gite d’étape van Jos en Karin, in Champcella, hartje Franse Alpen.’ Dus wij naar Champcella.

‘Non-non-non!’ Robert Chevalier fronst zijn wenkbrauwen en schudt zijn hoofd. ‘Trop dangereux.’Te gevaarlijk. We willen met acht man sterk dwars door het Parc des Ecrins. Op raquettes, sneeuwschoenen. Daarom hebben Karel en Jos speciaal voor ons een route uitgedokterd: de Grande Traversee des Ecrins. Met die route zijn ze naar Robert Chevallier gestapt, een gediplomeerd gids en parkwachter in het Parc des Ecrins. Robert wijst op lawinegevaar. Onze route is te gevaarlijk. Wat nu ? Dagtochten ?
‘Non-non-non.’ Weer schudt de pezige fransman zijn gebruinde hoofd.
Hij heeft een proposition ,een voorstel. Als parkwachter heeft hij de sleutels van des cabanes. Des cabanes ? Jos: ‘Hutten die in de zomer door herders worden gebruikt. Met houtkachels en matrassen’. Robert; ‘Als we slaapzakken en voldoende eten meenemen, kunnen we vanuit La Bergerie een twee- of vierdaagse tocht langs cabanes maken. Is dat wat ?’ En zo staan we amper een uur na aankomst fluitend onze rugzakken in te pakken voor een vierdaagse tocht; de Petite Traversée des Ecrins.

Cabane de Tramouillon

We verlaten Champcella, meteen op raquettes stijgend door het Bois du Bouchet, waarna we een stroompjevolgen naar het gehucht Ponteil. Het spoor is amper een sneeuwschoen breed. Het peloton verbrokkelt.
Na Le Ponteil volgen we een prettig breed pad. Zweet gutst, zon schijnt, zonnebril is noodzaak. Vandaag is het enkel stijgen,stijgen, stijgen.
De lucht is blauw op een iel wit stipje na.
Abdel;’Boeing 727, zware motoren, oud toestel.’ Erik en ik kijken elkaar verbaasd aan. Wij zien niet eens een vliegtuig .
We stappen door een smalle kloof. Ook wit. Bomen, rotsen, bergen, allemaal wit. Maar dan verschijnt een groot zwart houten kruis en even later zie ik een klein droomhutje, de Cabane de Tramouillon (1963 met.).
Pats, pats ! ……. Sneeuwballen komen me tegemoet.
Ach ik heb zulke leuke vrienden.
Het is half vier. In de hut steekt Karel de kachel aan. We drinken thee en lepelen zowel een pan nasi goreng als een Saroma puddinkje naar binnen.
De avond wordt gevuld met diepgaande gesprekken over Emile Zatopek, Nescio, Flaco Jimenez en Barry van Aerle. Vlak voor het slapen gaan urineer ik onder 9276 sterren. Ik ben een bofkont. En wat hebben wij vandaag geleerd?
Ron; ‘De sneeuwschoen is een vernuftig instrument waarmee de buitensporter zich in terrein waagt waar geen mens normaal kan lopen, om vervolgens te concluderen dat er inderdaad, sneeuwschoen of niet, niet normaal te lopen is.’

Mooi hè?

Zes uur. Het is nog donker. Theewater laat fluitend horen 100 graden heet te zijn. Robert klikt zijn ski’s onder.
Onze Guide des Hautes Montagnes vliegt ontmoedigend gemakkelijk de helling op en af.
OOk wij gaan omhoog, sneeuwsloffend beklimmen we de steile Col de Val Haute ( 2517 met.). Raquettes met weinig grip zoals Roel die vandaag onder zijn voeten heeft, voorzien de Bond tegen het Vloeken ruimschoots
van werk. Ook ikzelf stijg als een bout. Luctor et Emergo, kreunend kom ik boven. Robert wijst met een skistok naar links en rechts.
‘Kijk , de Barre des Ecrins en de Monte Viso’…….Mooi, hè?
Dan eindelijk, dalen. Door een lange vallei, de Vallon de Font Cailla. Ik zwik , trap per ongeluk een sneeuwschoen uit en zak meteen met een been tot mijn kruis in de sneeuw. Het andere been staat nog boven. Twintig meter verder zakt een voet met sneeuwschoen en al een meter diep weg. Als ik de voet omhoog trek blijft de sneeuwschoen achter. Knielend op het kruis van mijn skistokken graaf ik, als een hond zijn kluif, de raquette uit.
Abdel en Ynke kijken grijnzend toe. Ach, ik heb zulke leuke vrienden.

In het kerstkaartlandschap dat nu voor me ligt, is de Cabane du Sellar, ons hutje voor vandaag, al zichtbaar. Ver weg, in een roomwit dalletje. Roel graaft de deur uit en Karel bevrijdt de schoorsteen op het dak van een dik pak sneeuw. Uit natte sokken haal ik twee gloeiende voeten, beide voorzien van een blaar. We smelten sneeuw en koken thee.
Vervolgens krijgen we lawinepieper-instructie. Erik verstopt zijn pieper in de sneeuw en wij zoeken hem op. Als kinderen in het paradijs.
En wat hebben wij nog meer geleerd vandaag?
‘Zeventienhonderd Merino-schapen komen ieder voorjaar vanuit de Provence naar dit plantsoen.’
‘En Tjeerd klopt de Saroma nog volgens de oude methode, met een lepel. Dan krijg je klontjes.’Tjeerd: ‘Hoe doe jij ‘t dan?’ ‘Dat leerje morgen.’
‘s Avonds zitten we we rond de roodgloeiende kachel en maken we plannen voor morgen en de rest van ons leven.

Shake-shake-shake

Rotsen, bergen en lucht: roodbruin, wit en blauw met een piepklein wit puntje. ‘Weer een 727, maar deze is minder oud,’ mompelt Abdel hardop. Ynke kijkt mij verbaasd aan. Robert houdt het tempo strak, want voor ons ligt een helling met lawinegevaar en daar wil-ie ons zo vroeg mogelijk hebben, zodat de sneeuw nog stevig is.
In de diepte zien we het gehucht Les Viollins. ‘Is dat nooit getroffen door een lawine?’ Oui, deux fois, twee huizen, helemaal weg.’ ‘En de mensen?’……. ‘Ook.’
We traverseren omhoog door een bos. Eenmaal uit het bos, tweeduizend meter hoog, is het tijd voor de lunch.
‘Geloof niet dat ik ooit eerder op een stukje worst heb gekauwd met zo’n uitzicht.’
En verder gaan we, stijgend, dalend, van dwarsdalletje naar dwarsdalletje.
‘Daar!’ ……Een zwarte raaf klapwiekt door het blauw.
‘Nee, daar!’ Een wit konijn schiet voorbij.
‘Nee, daar!’ In de diepte tegen een helling ligt droomhutje nummer drie, de Cabane de Clot Lafont. ‘Mooi hè?’

Ai, er blijkt geen hout te zijn. Geen hout, geen vuur, geen eten.
Bijkomend probleem: Karel heeft de sleutel verloren.
Robert: ‘Het is nog vroeg. We kunnen over twee uur weer voor de Cabane de Tramouillon staan. Maar dan
moeten we wel eerst de Col de Tramouillon (2288 m) over.’
Oefening baart kunst.
De col wordt bedwongen. De afdaling is steil. Onder de brandende zon glijden we naar droomhutje 1. Wat hebben we vandaag geleerd? ‘Oké, sneeuwschoenen zijn handig.’ ‘Saroma-toetjes maakje met behulp van een wijdhalsfles. Shake-shake-shake tot het geheel klontvrij is. Giet dan de pudding in een pannetje en laat ‘m buiten opstijven.’ Die avond schommelt de olielamp boven een gesprek over de essentie van het bestaan.

Vreemde vogels

Traag maar al wel op routine komen slaapzakken in beweging.
Half acht. Buiten is de lucht, ook routine, strak blauw. Eenieder bindt zijn schoeisel onder en dan begint de klim van de Col de Tramouillon (2288 m), de glijbaan van gisteren. De hoogtelijntjes liggen voelbaar dicht bij elkaar. Ik ram de tandjes van mijn raquettes in de witte glitterwand terwijl mijn hart een ultra-upbeat techno ritme bonkt. Over de col vliegen vreemde witte vogels. Sneeuwgorzen, leren we van Robert.
Karel: ‘Robert weet van alles wat hier beweegt de naam.’
‘Wat is dat dan?’ Erik wijst op een puntje in de lucht.
Zwijgend haalt Robert zijn schouders op.
‘Een Airbus, stijgend, hij gaat een bocht maken, bestemming Genève,’determineert Abdel droog.
Wij zien, iets lager, de Téte de Gaulent en de Tète de Vautisse, fonkelende bergtoppen. Vanaf nu is het vooral dalen. Soms steil, soms geleidelijk.
Soms een been verliezend, soms twee.
‘Sneeuwkonijn op drie uur!’ Rechts flitst een witte vlek door de dennenshampoolucht
Een groepje huizen met kerkje wordt zichtbaar. Champcella. Sterker nog, we zien het terras van La Bergerie al.
Karin staat klaar met taart, thee en bier. Bestoppeld en rood verbrand ploffen we in de rieten stoelen..

Een mooie vrouw

‘Dit vertel ik thuis niet!’ ‘Ik, doe dit nooit meer!’
Beste lezer, wij bevinden ons momenteel in de”Via Ferrata” die eigenhandig door Robert is aangelegd boven het dorpje Freissinières.
Sneeuwschoenen en rugzakken wachten op ons in het dorp.
Robert heeft ons voorzien van helmen en klimgordels. En nu hangen we hoog boven het dal. Bergschoenen zoeken steun op richeltjes van 41 millimeter breed, maar we zijn allemaal veilig vastgeklikt aan een staalkabel.
Toch kijken sommigen van ons, ik zal geen namen noemen, zoals een kanarie met vliegangst kijkt naar een kat met boulimia. Maar ik vind dit prachtig. ‘Mooi hè?’Ach, ik ben zo’n leuke vriend. Weer terug op de aarde binden we de sneeuwschoenen onder. We volgen een ondergesneeuwde GR, omhoog, naar ons laatste hutje, de cabane Les Balmettes
‘Waar denk je nu aan?’ ‘Aan morgen, het klapstuk, de klim naar de Téte des Raisins. En jij?’ ‘Een mooie vrouw.’ ‘Hoezo dat?’ ‘Ik denk altijd aan een mooie vrouw.’
Erik zoekt water, Roel steekt de kachel aan, Rob maakt een foto, Ron smelt sneeuw, Ynke plakt blaren af, Tjeerd shaket een wijdhalsfles, Abdel tuurt zwijgend naar de lucht en Karel tovert een trekharmonica uit zijn rugzak.
Zijn vingers dansen over de toetsen en we horen het droeve verhaal van een zeeman die verdrinkt en een meisje dat op hem wacht. De duisternis valt, diep. Onder ons twinkelen lichtjes in het dal. Kleine glaasjes worden gevuld met een zelfgestookt brouwsel van Robert. ‘Sterk spul hè?’ …. Sterren vallen. Morgen zal Ynke geen blaren meer hebben.

Koud bier

Om 6 uur 30 piept het horloge van Rob ons wakker.
De kachel wordt opgepord. Theewater borrelt. De rugzakken blijven voorlopig staan. Zonder bepakking zullen we de Téte des Raisins (2655 m) aanvallen. Iedereen inspecteert zijn raquettes en stokken. Zweetbanden om, zonnebrillen op, handschoenen aan.
‘Allons!…….’ Roel, Erik en Tjeerd lopen meteen op kop. De rest volgt op gepaste afstand. We verlaten het brede pad en lopen door een lariksbos.
De groep valt uit elkaar, in het bos zie ik niemand meer.
Ik voel mijn hart bonken. Robert verschijnt hoofdschuddend naast me.
‘Non-non-non, lentement.’ Minder hard en meer genieten, dat is de boodschap. Het bos lost op, ik krijg zicht op de Pointe des Casses de la Font de Lanse.

Sneeuwgorzen vliegen recht boven mij, ik kijk tegen hun witte buiken.
Ver voor mij zwoegen vier poppetjes, ik lig vijfde. Traverserend, in het spoor van een voorganger, bereik ik een minder steil gedeelte. Ook achter mij zie ik zwoegende poppetjes, waarvan er eentje groter wordt.
Over een graat, hoog boven het woud, stap ik verder. Rob komt dichterbij, groet misselijkmakend vriendelijk en stuift door. Ver voor mij bereikt hij de top. Ik moet nog pakweg vijftig hoogtemeters. Zoekend naar grip, ram ik een raquette in de sneeuw.
De binding schiet los. Doornat, een sneeuwschoen vastmaken op dit smalle spoor, dat kost kracht en vraagt om concentratie. Het lukt, traag traverseer ik verder. Vanaf de top wordt geschreeuwd. ‘Het bier wordt koud!’
U weet het inmiddels, mijn vrienden zijn o zo leuk.
Ik kijk omhoog tegen de felle zon. Verdomd, ik zie een blikje blinken, ze hebben daar echt bier. Stapstampend kom ik boven alwaar ik zeer nauwkeurig op de hoogte wordt gebracht van mijn enorme achterstand.
Robert blijkt voor iedereen een blikje bier mee te hebben gesjouwd. Ik ga op een rots zitten, neem een slok en kijk om me heen. De Monte Viso, de hele Queyras, Briançon, ltalie, ik zie het allemaal. De zon brandt, het is windstil. Ik neem nog een slokje en kijk dan naar mijn ongeschoren vrienden.

Ik ben een bofkont.

terug naar pagina reisverslagen